Je pensioen verlagen: hoe zit dat precies?

Terug naar het overzicht
  • Kunnen wij je pensioen zomaar verlagen?

    Nee. Dat mag alleen als onze financiële positie erg slecht is. We gaan nooit over één nacht ijs. Eerst zijn jarenlang andere maatregelen genomen om er financieel bovenop te komen. Deze maatregelen staan in het herstelplan en worden elk jaar goedgekeurd door toezichthouder De Nederlandsche Bank. Lukt het niet om weer financieel gezond te worden binnen de wettelijke termijnen? Dan is een verlaging van de pensioenen het laatste redmiddel.

  • Hoeveel gaan de pensioenen omlaag in 2020?

    Dat weten we nog niet. Zekerheid daarover komt pas begin volgend jaar, omdat de dekkingsgraad op 31 december 2019 doorslaggevend is. Op basis daarvan besluit het bestuur hoeveel je pensioen eventueel omlaag gaat.

  • Is een verlaging te voorkomen?

    De politiek kan de spelregels veranderen. Of de rente kan gaan stijgen. Maar we moeten eerlijk zijn. Het ziet er nu niet naar uit dat dat gebeurt. Gaat het over een paar jaar weer veel beter? Dan kunnen we besluiten om de pensioenen extra te verhogen. Zo kunnen we de verlagingen misschien weer goedmaken.

  • Wat merk je hiervan?

    Het bestuur verdeelt de lasten eerlijk en evenwichtig over (ex-)medewerkers en gepensioneerden.

    Bouw je pensioen bij ons op? Of bouw je geen pensioen meer bij ons op maar heb je wel nog pensioen bij ons staan?
    Dan merk je nog niets van een verlaging. Maar later wel, want ook je opgebouwde pensioen gaat omlaag. Straks als je met pensioen gaat, merk je het wel in je portemonnee. Want dan ontvang je minder pensioen.

    Krijg je pensioen van ons?
    Dan gaat je uitkering vanaf de verlagingsdatum omlaag. Je merkt het dus direct in je portemonnee. Stel: je hebt een pensioen van ons fonds van € 100 bruto per maand en het pensioen gaat met 1% omlaag. Dan ontvang je  elke maand € 1 bruto minder.

    Let op!

    • Een eventuele verlaging geldt alleen voor je middelloonpensioen. Dus niet voor het pensioen dat je opbouwt met de beschikbarepremieregeling. En het geldt ook niet voor de AOW of Anw die je van de overheid krijgt.
    • Check hoeveel pensioen je hebt opgebouwd op Mijn Pensioencijfers. Voor een overzicht van je pensioen en je AOW ga je naar mijnpensioenoverzicht.nl.
  • Het Pensioenakkoord zou verlagingen toch voorkomen?

    Nee. In het Pensioenakkoord staan alleen nog maar plannen voor soepelere regels om de pensioen te verhogen en te verlagen. Fondsen zouden geen grote financiële reserves meer hoeven te hebben. Daardoor mogen ze de pensioenen eerder laten meestijgen met de prijzen. Maar als het economisch tegenzit, gaan de pensioenen ook eerder omlaag. De plannen uit het Pensioenakkoord moeten nog worden uitgewerkt.

  • Kan de minister ervoor zorgen dat ons pensioen niet omlaag gaat?

    De minister mag – in uitzonderlijke economische omstandigheden – een verlaging uitstellen.

    Hoe komt dat?

    Pensioen is in Nederland een arbeidsvoorwaarde die sociale partners regelen. Sociale partners zijn werkgevers en werknemers in een bepaalde branche of bij een onderneming. Die maken de afspraken over hoe u pensioen opbouwt, hoeveel u opbouwt en hoeveel u ervoor betaalt. Dat leggen ze vast in een pensioenregeling. Het pensioenfonds of de verzekeraar voert de regeling uit. Dat doet de overheid dus niet. Wat doet de overheid wel? Die maakt de spelregels waaraan pensioenfondsen zich moeten houden en houdt daarop toezicht. Dat toezicht is ondergebracht bij De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

     

     

     

  • Het gaat goed met de economie. Waarom komt ons fonds toch geld tekort?

    Het is de vraag of we echt geld tekort komen. Pensioenfondsen hebben samen heel, heel veel geld. Het is bijna niet voor te stellen: € 1.600 miljard. Het vermogen van ons fonds op 31 december 2018 was € 363 miljoen. Maar we moeten van de overheid een heel lage ‘rekenrente’ gebruiken. Daarmee berekenen we hoeveel geld we in kas moeten hebben om nu en in de toekomst alle pensioenen te kunnen betalen.  Iemand die met 21 jaar begint met pensioen opbouwen, moet erop kunnen rekenen dat het fonds straks zijn pensioen kan blijven uitkeren zolang hij leeft. Ook als hij honderd jaar wordt.

    De discussie gaat over de vraag of fondsen een risicovrije rekenrente moeten gebruiken. Die is op dit moment erg laag, maar kan ook hoger zijn. Of mogen fondsen in de rekenrente rekening houden met de meer onzekere rendementen die ze met hun beleggingen kunnen maken? Het antwoord op die vragen is nog niet bekend.

  • Als er genoeg geld is, waarom is er dan toch een probleem?

    Dat ligt aan de regels waarmee wij onze financiële positie moeten berekenen.

    Niemand kan in de toekomst kijken. Je weet niet hoeveel rente je gaat krijgen op je spaargeld. Wil je bijvoorbeeld over 10 jaar een bepaald bedrag gespaard hebben? Dan moet je meer geld opzij zetten als de rente laag is. Pensioenfondsen beheren veel geld. Net als spaarders hebben wij dus veel last van de lage rente.

    Sparen is een klein deel van ons pensioenbeheer. Het meeste pensioengeld wordt belegd. Als je belegt, weet je niet hoeveel ‘winst’ (rendement) je gaat maken. Hoe zorgen we er toch voor dat we straks genoeg geld hebben om alle pensioenen te betalen? Door nu niet teveel uit te geven en een goede inschatting te maken van hoeveel rendement wij denken te gaan maken. We mogen onszelf niet ‘rijk rekenen’. Stel, we verdienen veel geld met beleggen. Dan kunnen we die ‘winst’ volgens de huidige rekenregels toch nog niet gebruiken om de pensioenen nu te verhogen. Dat geld gaat naar een buffer, zodat we later nog genoeg hebben voor jonge deelnemers. In juni zijn de rekenregels zelfs nog strenger geworden.

    Hoe groot onze buffer is, is te zien aan de dekkingsgraad. Hoe lager de dekkingsgraad, des te kleiner onze buffer. Als de dekkingsgraad te laag wordt, proberen we eerst andere maatregelen te nemen. Een verlaging van de pensioenen is het uiterste redmiddel.

  • Hoeveel geld moet het fonds opzij zetten om alles te kunnen betalen?

    De ministers Koolmees en Hoekstra hebben deze vraag in de Tweede Kamer beantwoord. Zij berekenden dat een pensioenfonds voor een pensioen van € 100 over twintig jaar:

    • op 31 december 1999 € 29 in kas moest hebben
    • op 31 juli 2019 € 91 in kas moet hebben

    De oorzaak van dit verschil is de lagere rekenrente.

    Daar komt nog bij dat prijzen stijgen. Je kunt over twintig jaar met € 100 minder kopen dan nu. Dan is die € 100 nog maar € 65 waard. We moeten nu dus € 91 in kas hebben om over twintig jaar jou een pensioen te kunnen betalen dat € 65 waard is.

  • Waarom is het nu moeilijk om geld te verdienen?

    Politieke en economische ontwikkelingen in de wereld en de lage rente spelen een belangrijke rol.

    We krijgen premie van jou en je werkgever. Dit geld beleggen we. Daarmee verdienen we het grootste deel van ons vermogen. Maar aan beleggen kleven risico’s. Beleggingen kunnen meer of minder waard worden. Daarom spreiden we ons vermogen over verschillende soorten beleggingen. Bijvoorbeeld aandelen waarbij we meer risico lopen en obligaties (= leningen) waarbij we minder risico lopen.

    Als het gaat om de aandelen, hebben we de afgelopen jaren goed verdiend. Maar door wereldwijde ontwikkelingen, zoals de Brexit en een dreigende handelsoorlog tussen de Verenigde Staten en China daalde deze zomer de waarde van aandelen.
    Fondsen beleggen ook veel in (staats-)obligaties. Dat zijn leningen aan landen. Superveilige beleggingen, zou je zeggen. Maar ze leveren op dit moment nauwelijks iets op. De rente die een fonds ontvangt voor een staatsobligatie is heel laag. Voor sommige obligaties moeten fondsen zelfs geld betálen. Dat is de zogeheten negatieve rente. Een land kríjgt geld als het geld leent. Toch beleggen pensioenfondsen hierin, omdat ze de obligaties nodig hebben om de risico’s van beleggen voldoende te spreiden.

  • Waarom staat het ene fonds er slechter voor dan het andere?

    Het ene pensioenfonds staat er financieel beter voor dan het andere. Deze verschillen komen onder meer door:

    • hoeveel premie werknemers en werkgevers betalen
    • hoe het fonds deze premies belegt (en hoe het fonds het risico van de rente opvangt)
    • afspraken met de werkgever: moet hij verplicht bijstorten als het slecht gaat?

    Met name het tweede punt speelt een belangrijke rol. De rekenrente heeft grote invloed op onze financiële positie. Die rente is bepalend voor hoeveel geld wij in kas moeten hebben om alle pensioenen te kunnen betalen.

    • Is de rekenrente hoog? Dan hoeven we minder geld in kas te hebben.
    • Is de rekenrente laag? Dan moeten we juist meer geld in kas hebben.


    Daling rekenrente

    Deze rekenrente is de afgelopen jaren sterk gedaald. In 2015 was de rekenrente voor een pensioen dat over 30 jaar uitbetaald moet worden 1,6%. Nu is deze nog maar 0,5%. Daardoor moeten we nu veel meer geld in kas hebben om straks hetzelfde pensioen te kunnen betalen. Daardoor staan we er financieel slechter voor.

    Wat kunnen we daartegen doen?

    Het risico dat de rente daalt, kunnen we afdekken. Bijvoorbeeld door het geld te beleggen in producten die in waarde stijgen als de rente daalt. Denk daarbij aan een obligatie. Dat is een (staats-)lening waarvoor het fonds een vooraf vastgestelde rente ontvangt. Die zogenoemde couponrente stijgt of daalt niet tijdens de looptijd. Dat maakt een obligatie interessant om te hebben als de rente daalt.

    Wij hebben dit risico voor een deel afgedekt, omdat we veilig willen beleggen. Maar we willen ook rendement (= winst) boeken met onze beleggingen. Daarom hebben we bijvoorbeeld ook aandelen. Met aandelen lopen we meer risico, maar hiervoor geldt ook dat ze relatief meer kunnen opleveren.

    Niet alle risico’s zijn afgedekt

    We dekken dus niet alle risico’s af. Daardoor blijft er een stuk over dat wél gevoelig is voor een dalende rente. Hoe groot dat stuk is verschilt van fonds tot fonds.

  • Waarom stijgt de AOW wel en je pensioen niet?

    De AOW van de overheid is een ander ‘soort’ pensioen dan het pensioen dat je via uw werk opbouwt bij ons fonds.

    De AOW is een minimaal bedrag om van te leven. De hoogte stelt de overheid twee keer per jaar vast. Het maandelijkse AOW-bedrag is gekoppeld aan het minimumloon. Het minimumloon stijgt als vakbonden en werkgevers in cao’s afspreken om de lonen te laten stijgen. Een stijging van de cao-lonen zorgt er dus indirect voor dat de AOW ook omhoog gaat. Zo behoudt de uitkering zijn waarde. Komt de overheid geld tekort? Dan vult ze dat aan uit de algemene reserve van ons land.

    Voor het pensioen dat je via je werk opbouwt bij ons fonds betalen jij en je werkgever premie. Voor die premie regelen wij een pensioen voor jou (of je nabestaanden). Of dat (opgebouwde) pensioen meestijgt met de prijzen, hangt af van onze financiële positie. Komt ons fonds geld tekort? Dan kunnen we de pensioenen niet verhogen. In het uiterste geval moeten we ze verlagen.

  • Welke rol speelt je werkgever of vakbond?

    Werkgevers en vertegenwoordigers van werknemers (vakbonden) vormen samen de sociale partners. Zij maken afspraken over hoe het pensioen wordt geregeld. Dat staat in het pensioenreglement. Ons fonds voert dat uit. Hoe we dat doen, staat in het uitvoeringsreglement. Als wij de pensioenen moeten verlagen, moeten we dit bespreken met de sociale partners. Uiteindelijk hakken zij de knoop door en voeren wij dat besluit uit.